maandag 30 maart 2009

Het Chinese gevecht

Lijiang is een bijzonder dorpje in het westen van China, in de provincie Yunnan. Ik was er beland na vele uren in de bus, vanuit Laos via Kunming en Dali. Het is een idyllisch stadje van prachtige Chinese houten huisjes, met kasseien straatjes en snel stromende beekjes aan de voet van de Jaden Draak berg. Hier wonen de Naxi, een bergvolk met een matriachale samenleving.

Vanuit dit dorpje wilde ik doorreizen naar Chengdu en de adviesroute is dan om terug te reizen naar Kunming (ongeveer 8 uur) en vanuit daar met de trein naar Chengdu. Maar ik wilde niet via dezelfde route terug, ik wilde vooruit! Ik had gehoord van een bus die via de 'Eerste bocht in de Yangzi rivier', met spectaculaire uitzichten, naar een stad zou reizen vanwaar ik de trein naar Chengdu zou kunnen nemen. Het lukte mij niet dit te regelen en teleurgesteld keerde ik terug naar mijn guesthouse. Daar stuitte ik op twee Engelse meiden die dezelfde plannen hadden als ik. We kregen een briljant idee, we zouden die aardige jongen van de receptie, die een beetje Engels spreekt, vragen op te schrijven wat we wilden en met dat briefje naar het busstation gaan.

En zo gebeurde het dat we voor de tweede keer die dag bij het busstation probeerden een kaartje te krijgen. Dit keer las de chagrijnige dame van het loket aandachtig het briefje, begon te lachen, vertelde haar collega's uitgebreid wat er op het briefje stond en schreef een volkomen onleesbaar buskaartje voor ons uit. Maar het was wel duidelijk dat de volgende ochtend onze bus zou vertrekken.

We verschenen iets voor 6 uur op het busstation. Het was er rustig. Een paar dozen verraadden enige menselijke aanwezigheid, maar behalve een slapende man op een bankje, de dame achter het loket en een oud vrouwtje, was er niemand te bekennen. Stipt 6 uur verscheen een oude bus. Hoe het kwam, weet ik niet precies, maar ineens waren er 50 mensen met een berg bagage te dringen om als eerste de bus in te mogen. We keken elkaar aan en wisten meteen wat ons te doen stond: meeknokken om zo snel mogelijk de bus in te komen en een goed plekje te bemachtigen. Anders zouden we misschien wel de hele reis moeten staan.... Dat zagen we niet zitten en we gooiden ons vol in de strijd.

Een klein en teer oud dametje met een tandeloze grijns deelde een paar pittige elleboogstoten uit en een grote woeste ongeschoren Chinees lieten we ook met rust. Maar verder was het een heftige en korte strijd. Heel tevreden zaten wij na 5 minuten met z'n drieën op een prachtig bankje, onze backpacks veilig onder ons, terwijl de meeste anderen zich nog de bus in knokten. Tot slot bleven er drie vrouwen staan. Vriendelijk wezen wij ze op het bankje voor ons. Niet het prettigste bankje, want vlak achter de motor en weinig beenruimte, maar ten minste een zitplaats. Ze knikten hopeloos 'nee'. Na een paar minuten werd de chauffeur erbij gehaald en hij vroeg ons om ons kaartje. Bij het overhandigen verscheen er een grote glimlach op zijn gezicht en eerst lichtte hij alle omstanders in. Uit de menigte klonk een geruststellend gemompel.

De buschauffeur toonde ons een klein plaatje boven ieder bankje. En wees toen op de nummers van ons kaartje; wij hadden stoel 1,2, en 3! Wij moesten dus op dat onmogelijke bankje achter de motor zitten. Balen, want met een reis van 11 uur over een slechte weg voor boeg, niet bepaald aantrekkelijk. Maar daar dachten die drie vrouwen natuurlijk net zo over! Dus verhuisden wij met bagage naar dat andere bankje en kon de bus vertrekken.

"Wacht eens even", riep ik uit. "Als iedereen vaste plaatsen heeft, waarom hebben we dan met z'n allen zo gevochten om die bus in te komen?" Rare mensen, zijn die Chinezen toch!


Geplaatst op Calijn's Gepeins (http://calijn.blogspot.com)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen